10 jaar Stiltetuin Emmen 2001-2011

   

 

 1.

 

‘Waarom doen we het niet zelf?’ vroeg R toen ze voor de afwisseling naast A neerplofte. Ze had de hele  tijd naast B in de bus zitten dommelen en haar gedachten waren bij alles wat ze in Taizé weer hadden  meegemaakt. De saamhorigheid van de groep met vooral jonge en enthousiaste mensen, de vrijheid  van denken, de rust en inspiratie van de diensten, het samen zingen en vooral het steeds herhalen van  die prachtige melodieën waardoor je bijna in trance raakte. Ze dacht vooral aan hoe het zou zijn als ze  weer thuis was, in haar gewone leven met de dingen van alledag. Hoe kon ze het gevoel dat haar     zoveel rust gaf en waar ze echt gelukkiger van werd, vast houden? ‘Ja’ las A haar gedachten ‘we moeten  een plek maken waar al die dingen samenkomen, een plek om tot jezelf te kunnen komen, een  ontmoetingsplek, een aanmoedigingsplek zelfs, waar we ook anderen kunnen laten delen in wat wij  daar in Frankrijk beleven’. ‘We moeten het er thuis maar eens met de anderen van ons leesclubje over  hebben en vragen wat zij er van vinden’, vond R en ze sukkelden, ieder met hun eigen gedachten al  hobbelend weer in slaap.

 

Een paar dagen later brengen ze hun ideeën ter sprake in de leesgroep. Juist de laatste tijd hadden ze  wat spirituele boeken gelezen en eigenlijk hadden ze allemaal het idee, dat er in onze maatschappij  toch wel erg weinig aandacht was voor contemplatie. Een plek, waarin mensen tijd en gelegenheid  zouden krijgen om bezig te kunnen zijn met wat echt belangrijk is in het leven, zou geweldig zijn. ’Maar  de kerk dan’, bracht X in, ’daar ontmoet je toch ook mensen met dezelfde idealen en daar is toch wel  ruimte voor bezinning en inkeer. Als je echte stilte wilt ervaren ga je toch een flinke boswandeling  maken? Bossen genoeg hier in de buurt. En je kunt ook nog ergens onder begeleiding meditatief  wandelen. Is dat niet iets voor ons om te doen? ’  ‘Het lijkt me heel fijn maar heb je wel gezien hoeveel  dat kost, dat kunnen we zelf wel’, vond R.

 

A en R lieten zich niet uit het veld slaan. Hun ideaal zat al te diep geworteld, hoewel ze goed beseften  dat er nog heel wat hobbels te nemen waren. Hoe maak je mensen nu duidelijk wat je precies bedoeld  en zou willen? Zodra je het woord spiritualiteit in de mond neemt, zie je mensen al denken; ‘Oh nee hè,  al weer zo’n groepje zweefkonten’. Ze moesten er zelf ook nog maar eens goed over na denken, want  wat was de meerwaarde van een ‘stilteplek’ boven een openbaar bos of een kerkgebouw?

Na enkele weken kwam het leesgroepje weer bij elkaar en kwam het onderwerp, waar ze nu alle vijf  over nagedacht hadden, weer ter sprake. Ze hadden maar vast hier en daar geïnformeerd of er  misschien ergens een ongebruikt stuk grond was en ze hadden zelfs al een brief naar de gemeente  gestuurd met een verzoek tot toewijzing van een perceeltje (per slot van rekening zou de gemeente  toch dolblij moeten zijn met zo’n sympathiek idee). ‘Ik denk zelf aan zoiets als ‘Stoutenburg’ een  franciscaans milieuproject waarin mensen wonen en werken vanuit spiritualiteit en verbondenheid met  het milieu en de natuur’ zei A.

‘Het is me nog niet echt duidelijk wat dat precies inhoudt, maar ik vind het best en zie wel wat er van  komt ’zei D. K beloofde dat als het echt iets werd ze wel mee wilde doen, per slot waren het toch leuke  meiden die R en A. R en D hadden eigenlijk wel hetzelfde idee als K maar verscholen zich nog achter  hun baan en de drukte van hun gezin.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   2.

 

De gespreksgroep ‘Geloof en Cultuur’ organiseerde in de Hutkerk een lezing over iconen. Het was vol in  het kleine kerkje en A zat na een voetoperatie met haar been op een stoel en riep in de pauze naar C  dat de gemeente een stuk grond had toegewezen in een bos, maar dat het eigenlijk niet geschikt was.  C reageerde wat bedremmeld omdat ze eigenlijk niet echt goed wist waar het over ging en waarvoor A  een stuk grond nodig had. Voordat A het haar kon uitleggen kwam G tussen beide en vroeg waarom ze  een stuk grond nodig had.  A kon dus haar verhaal in één keer aan twee mensen kwijt, waarop C dacht;  ’Oké, maar wat moet ik daar mee?’ en waarop G zei; ‘Oh. Geen probleem, ik heb wel een stuk grond dat  jullie kunnen lenen en gebruiken’. Waarop R en A op één avond niet alleen een prachtige lezing over  iconen hadden gehoord maar ook een aanbod kregen voor een stuk grond, dat weliswaar nog  gecontroleerd moest worden op geschiktheid, maar wat in ieder geval op een ideale locatie lag. Vanaf  toen kon er structureel nagedacht worden over de verwezenlijking van de droom van A en R.

 

Het bewuste perceel was ongeveer 4000 vierkante meter en lag achter het huis van G en D, dus een  eindje van de weg af. Dat was gunstig. Het was goed toegankelijk en nog niet helemaal ontgonnen.  Een gazon, een bos en een groot stuk wilde begroeiing met vooral bramen en brandnetels. Maar  toch…..een ideale plek.

 

     3.

 

Toen moest die prachtige plek natuurlijk nog een naam hebben. ‘Wat dachten jullie van ‘Clara’ van Clara  van Assisi, de stichteres van de vrouwelijke tak van de vroege franciscaanse beweging?’ bracht R in. Er  werd niet direct laaiend enthousiast op gereageerd. ‘Het is zo kerkelijk’ vond C. ‘Ja, en het dekt ook niet  helemaal de lading van ons ideaal op het gebied van natuurbehoud en hergebruik van materialen’, zei  A. ‘Bovendien klopt het ook niet met ons idee om cursussen en workshops te gaan geven, want de  Clarissen zijn een orde van armoede en dienstbaarheid. Nee, het moet een algemenere naam worden’.  ’Spiclatu dan?’ Wat voor tu zei je? ’Spiclatu is de afkorting van spirituele Claratuin’. Nu kenden we  elkaar nog niet zo lang en waren daarom heel aardig voor elkaar, dus viel niemand van z’n stoel van het  lachen, maar nee…. Spiclatu werd het duidelijk ook niet. Toen was er ineens de naam ‘Stroetenhof’ en  niemand weet meer wie dat bedacht heeft. Hij was er gewoon ineens en het voelde helemaal goed. Een  stroet, een hoger gelegen kom in het landschap, waar regenwater in wordt opgevangen en dat dan over  het omliggende land via beekjes wordt verspreid. 'Dat is wat we willen’, zei A; ‘Ogen en oren open  houden om spiritualiteit in welke vorm dan ook op te vangen, te delen en door te geven aan anderen’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

 

 4.

 

‘En wat moet er allemaal in, in die tuin? ’ vroeg C, want zij zou het ontwerp maken. Iedereen riep door  elkaar heen; ‘Een vuurplaats en een geheimzinnig bos’, riepen de jongeren. ‘Een kapel, een kruidentuin,  een vijver, een compostbak en iets waar we droog kunnen zitten als het regent….en veel paadjes en  zitjes… en een goeie plee.. en iets educatiefs voor kinderen….water en elektriciteit.. en natuurlijk een  mooie plaats voor de drie kastanjes die we uit Taizé hebben meegenomen.

 Dan op de gedenkwaardige Koninginnedag 1999 beginnen we aan een enorme klus. Een goedkope  partytent van de rommelmarkt beschermde ons tegen zon en regen. Wel moesten we hem zes dagen  later uit de bomen plukken, waar hij in was gewaaid.

 Onder de braamstruiken en brandnetels komen niet alleen een bed spiraal, fietswielen en ander oud  ijzer te voorschijn maar ook een originele oude platte kweekbak, een paar bessenstruiken en een stuk  ijzer in de vorm van een kruis, ooit een stuk raamkozijn, nu een symbool in de kapel. Vooral de  kinderen van A en R weten met vrienden en vriendinnen goed de handen uit de mouwen te steken.  

 

 ‘Klusdagen’, een speciaal door A bedachte term om een stel jongelui te lokken en ze dan flink aan het  werk te zetten, worden goed bezocht; ‘Zeg maar waar we mee moeten beginnen’. Na al dat geploeter is  het aan het eind van de dag goed rusten. Het afval wordt feestelijk in de fik gestoken en met een  biertje erbij of een goed glas wijn van G, is het dan beregezellig.

 

Soms zit het mee en soms zit het tegen. Voor de tuin zit het mee, voor G zit het tegen; vuilbroed in de  bijenstal. De bijenstal wordt afgebroken en afgevoerd onder toeziend oog van Sir James, de voorname  kat van D en G. Er zijn planken die, goed schoongemaakt, gebruikt gaan worden voor de bouw van een  kapelletje.

 

‘Ik heb dorst, waar is ergens een kraan?’ ‘Neem maar een biertje, dan kan je daarna wel een sleuf  graven voor water en elektriciteit’. ’Ik moet plassen, waar kan ik plassen, ik kan toch niet weer naar G  gaan? Ze zien ons aankomen!’ ’Nou wat dacht je ervan om eerst een plee te maken? Graaf achter in het  bos maar een gat in de grond en dan maken we er voor de dames wel een gordijntje omheen’.

 ‘Ik begin aan de vijver’, roept R  boven iedereen uit.  ’Prima, dan begin ik vast aan de kapel’, zegt A.   ‘R zorgt wel voor de catering!’ ’Wel ja, dat is pas de vierde keer vandaag dat ik heen en weer naar huis  loop om wat te halen. Leuk als je zo dicht bij woont. Ik ga eerst even met Harry (de grasmaaier)  wandelen… of nee, toch maar eerst naar huis om eten te halen want Harry mag mij niet zo’.

 

 Zo de boel is ontgonnen en wat hebben we nu? Een grasveld, een bos en een woeste zandvlakte! ‘Als  we proberen om stro te krijgen, dan maken we zelf een dak op de kapel’. ‘Oké, maar hoe komen we aan  stro?’ ’Gewoon de boer op, voor de tuin kunnen we schaamteloos schooien’, zegt R overtuigend. En  jawel, dat dak komt er, ook al is het van afgedankt roggestro. We maken er bundels van en naaien het  met ijzerdraad op een dak van gaas. Zo, nu wordt de kapel meteen met bloed van A gedoopt.’

‘Een poepkuil is nu, na de kapel, de kruidentuin, de hemeltuin en de vijver, wel het belangrijkste wat  we nodig hebben. ‘Ik krijg echt problemen met hurken. Ik wordt ook een dagje ouder!’ klaagt C. ‘Wat  dacht je van een ‘Boldootdoos’  midden in de tuin. Een drie meter diep gat met een turfwand en een  dooie kip. En natuurlijk een zijingang voor ongeduldige heren.

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 5.

 

Het is nog even wennen voor de bevolking van Noordbarge. Niet iedereen heeft al een antwoord op de  vraag; ‘Waar is hier ergens de heilige tuin, mevrouw?’ Ook kijkt de bewoner van Noordbargerstraat nr.  40 raar op, als hem een forse lading paardenmest wordt aangeboden. En onze kreet ‘We kunnen alles  gebruiken’ wordt soms wel erg ruim geïnterpreteerd. Maar we zijn er blij mee en zelfs voor de tiende pol  hemelsleutel weten we wel een plekje te vinden. Bielzen en stenen kunnen we ophalen, alles met de  ‘Stroetmobiel’(pick-up) van A, een onmisbaar voertuig dat helaas, na jaren trouwe dienst, wat te diep in  het glaasje van de vijver heeft gekeken.

 

‘Wat krijgen we nou? D kom eens kijken. ’t Zal toch niet waar zijn dat die meiden dat lelijke gevaarte  op de tuin gaan zetten?’ ’Wat is dat dan?’ vroeg D. ’Volgens mij een lijk van een caravan’, zei G. ‘Ach,  dan kunnen ze ook eens lekker binnen zitten als het koud is’. ‘Wel nee, er staat een bordje op;  ‘Kantoor’. Dat wordt wel heel officieel. Nou ja, we zien wel, ik ben in ieder geval al blij dat er een  bordje aan de weg staat, zodat niet iedereen eerst hier aan de bel hangt. Waar zijn we aan begonnen?  Toch zie je al geregeld iemand zo even de tuin oplopen, dus men begint het toch al wat te kennen.  Maar wat ze nou precies willen is me nog niet duidelijk. Ik heb begrepen dat ze cursussen of workshops  willen geven over meditatief of spiritueel dansen en schilderen en zo. Ik ben benieuwd hoe ze dat gaan  doen, want het is natuurlijk niet altijd mooi weer’.

 

    6.

 

‘Welverdraaid waar is de schoffel, het zal toch niet weer zo zijn dat die meiden de schoffel verstopt  hebben, al die flauwekul dat je de bodem niet mag verstoren, geef mij maar een lekkere scherpe  schoffel en ik laat al het onkruid verdwijnen’. Lachend en zingend loop L al voor dag en dauw met de  eerste vogels mee te doen en volop te genieten van toch ook een beetje zijn mooie plek met al die  aardige vrouwen. Een beetje vreemd zijn ze wel, maar er is niets mis mee. Een beetje dansen op wat  zwijmelmuziek en wat stil zitten neuriën kan toch geen kwaad en bovendien werken ze daarnaast als  paarden. En mooi wordt het, dat mag iedereen weten. Ik ben niet de enige die dat ziet, want zomaar  een mevrouw doet een notenboom cadeau en de gemeente komt zelfs een grote picknictafel afleveren  (met een foto in de krant natuurlijk) en ze krijgen gratis houtsnippers, heel veel, voor de paden, en  zitboomstammetjes en olifantenmest, maar ook zomaar een grote thermoskan, een vuurkorf en een  magnetron en dan hebben we het nog niet eens over al dat plantmateriaal’.

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  7.

 

Maar hoe houd je de moed er in als de pas aangeplante buxus wordt afgeknaagd en als mensen denken  ook hun tuinafval hier te kunnen dumpen. Als de muizen de caravan hebben gekraakt en als het zo koud  is dat alles bevroren is en er met sneeuw koffie gezet moet worden. Als de buren klagen omdat de   ‘knetterbiele’ (motorzaag) zo’n herrie maakt of dat ze last hebben van de rook van ons kampvuurtje. Als  G boos is omdat we wat bomen in het bos gesnoeid hebben zonder toestemming en als vandalen een  steen door de ruit van de caravan gooien. Als de ene vrijwilliger de net ontkiemde plantjes als onkruid  uittrekt die de andere vrijwilliger zo nauwkeurig gezaaid heeft? Nou, nieuwe moed putten we in ieder  geval uit de mededeling van buurvrouw B dat we ook een flink stuk van hun tuin mogen gebruiken,  omdat ze vinden dat we zo leuk bezig zijn. En ook het feit dat Donald en Catrien (twee wilde eenden)  onze vijver als ‘home’ kiezen. Als zelfs Chinese bruidjes onze tuin als decor voor hun fotosessie kiezen  en de broeders Rob en Sebastien uit Taizé  langs komen, dan zien we het weer helemaal zitten. Dan  zegt B tegen R ‘Ga maar naar de tuin, daar kom je beter vandaan dan dat je er naar toe gaat’.

 

    8.

 

‘Wat een raar verhaal van G. Je zal toch een boek van de bibliotheek krijgen, wat je niet besteld hebt  en wat je toch maar uit nieuwsgierigheid leest en ontdekken dat er wel degelijk een boodschap voor je  in staat en dat die boodschap nog te verwezenlijken is ook. Een Vredespaal, één van de vele honderden  over de hele wereld in onze tuin met de universele boodschap: Dat er vrede moge heersen op aarde.  Waar komt zo’n paal beter tot zijn recht dan op de stilte tuin. De tuin waar mensen rust en vrede  zoeken, alleen of in gesprek met een ander.

 

    9.

 

‘Een yurt zou ideaal zijn voor ons’ probeert  R maar weer eens. ‘Veel te duur’. ‘Dan maken we hem toch  zelf’. We kunnen in ieder geval vast beginnen met dekens verzamelen en toestemming vragen om  bomen te kappen’. ‘Ik zie dat echt niet zitten, we kunnen veel beter nog even doorsparen en een echte  kopen, er komt vast nog wel eens een goedkope aanbieding’ brengt A optimistisch in. ‘Toch moeten we  er eens serieus mee bezig, want laatst met het midwinterfeest was het wel heel erg koud en was het  toch wel lekker geweest om rond een kacheltje binnen te zitten’. ‘Ik ga wel eens op internet kijken, we  hebben nu best aardig wat geld in kas door de icooncursussen van R en de gift van M en alle vrije giften  van de poëzieavonden en de verhuur van de tuin aan groepen’.

 

     10.

 

‘We zijn veel te druk met allerlei zakelijke dingen, het gaat tegenwoordig alleen nog maar over de yurt.   Natuurlijk ben ik ook blij dat we nu eindelijk onderdak hebben en was het een geweldig moment toen  hij zo feestelijk geopend werd, maar het wordt tijd dat we weer eens rustig nadenken over wat ons  bewoog om hier aan deze tuin te beginnen. Beantwoorden we nog wel aan dat ideaal van harmonie door  stilte, mijmert G voor zich uit. ‘Misschien moeten we eens wat nieuwe inspiratie opdoen bij andere  alternatieve tuinen en zo’n dagje samen uit is ook goed voor het groepsproces’ brengt C in. ‘Ja, dat is  wel leuk maar we moeten ook wat doen aan geestelijke inspiratie, we moeten weer net als in het begin  een soort stilte- of meditatieve momenten inlassen’ zei L. ‘Oké, maar voor mij hoeft dat niet zo, ik  ervaar het gewone tuinwerk, het domweg op je gat zitten wieden, al meditatief genoeg’. ‘Ja, grappig  eigenlijk, hoe verschillend we er hier allemaal ingestapt zijn’. A begint te lachen en zegt: ‘Toen ik hier  vanuit mijn rockwereldje binnen kwam was het wel even wennen, maar geleidelijk aan voelde ik het  sprankelende van de plek, de ontmoeting met nieuwe, bevlogen mensen en niet te vergeten de muziek  van de hangmatconcerten, wauw, daar gebeurde iets met je’. A valt stil en kijkt dromerig naar de  libellen boven de vijver.

 

Nadat iedereen wat voor zich uit heeft zitten kijken, ieder met eigen gedachten, begint M aarzelend:  ‘Het is toch wel erg bijzonder dat we als heel verschillende mensen die elkaar hier toevallig getroffen  hebben omdat we óf van tuinieren houden óf spirituele invulling van ons leven zoeken, iets voor elkaar  kunnen betekenen in feestelijke en blije dingen maar vooral ook in verdrietige en moeilijke  gebeurtenissen’. ‘Misschien is dat nog wel het allerbelangrijkste en moeten we proberen dat vast te  houden. ‘Als ik het zo hoor was dat idee van A en R zo gek nog niet’, roept T vrolijk en gaat weer aan  het werk.

 

 

<<

>>